Vollaard

In Vlaanderen worden engelenkoeken of Sint Michaëlsbroden gebakken. Men noemt deze koeken ook wel vollaards naar hun speciale vorm.
Het is een langwerpig brood met aan de uiteinden twee bollen: de ‘hoofden’ van een vollaard. Die hoofden krijgen met rozijnen ogen, een mond en een neus.

1 kilo bloem
ca. 4 dl melk
50 g gist
3 eieren
40 g boter op kamertemperatuur
50 g basterdsuiker of poedersuiker
zout
Voor de garnering: rozijnen en 1 ei

Maak de gist aan met wat lauwwarme melk.
Zeef de bloem in een kom en maak een kuiltje in het midden waarin de gist komt, drie eieren, suiker en de rest van de melk. Het zout wordt langs de buitenrand gestrooid zodat het niet direct in aanraking komt met het gist.
Kneed tot een glad deeg.
Voeg daarna de boter erbij en kneed opnieuw totdat de boter is opgenomen.
Laat het deeg rijzen tot het dubbele volume.
Neem van het deeg een kwart deel af en verdeel dit in twee stukken.
Maak van de rest een langwerpige vorm en plaats de twee stukken op de uiteinden als bollen/ hoofden.
Maak met rozijnen de ogen, mond en neus.
Klop het vierde ei los en bestrijk hiermee de vollaard. Laat opnieuw rijzen.
Bak de vollaard in ca. 30 minuten op 200 -220 graden

( Wil en Netty Engels-Geurts in: Traditionele Feestgerechten)

Dit bericht is geplaatst in Gebak, Ontbijt, Scheppingsperiode met de tags , . Bookmark de permalink.